11 januari 2018

Kaartlezen (28) - Vaarwel stad





Deze kaart van de Randstad levert een bekend beeld op. De vier grote steden horen bij de ene groep (geel) en de meeste andere gemeenten bij de andere (groen). Dan moet het wel iets met groei te maken hebben, denk je al snel. Want overal lezen en horen we dat de steden ongekend populair zijn en onstuimig groeien. De stad is the place to be, vooral voor jongeren. Hier is de verrassing: de kaart toont precies het omgekeerde. Hij laat de ontwikkeling zien van het aantal huishoudens van jonge dertigers (30-34 in 2011) met of zonder kinderen, in de periode 2011-2016. Geel is krimp, groen is groei. De vier grote steden verliezen juist dertigers, net als de studentensteden Delft en Leiden. Bijna alle andere gemeenten trekken jonge huishoudens aan. Je moet goed zoeken naar uitzonderingen. Slechts een paar kleinere gemeenten, waaronder Lisse en Gouda, slaagden er niet in om huishoudens uit deze groep te winnen.

De kaart is gemaakt door onderzoeks- en adviesbureau RIGO en komt uit de serie ‘Veel voorkomende misverstanden over de woningmarkt’. Een van die misverstanden is dus dat het aantal jongeren in de steden enkel toeneemt. Dat geldt misschien voor bepaalde groepen, zoals studenten en jonge buitenlandse werknemers, maar niet voor jonge gezinnen. Er zijn een paar verklaringen. Voor een deel is de uittocht van dertigers een inhaaleffect. Door de crisis bleven mensen langer zitten waar ze zaten. Een deel van de verhuizingen kwam bovendien terecht in grote Vinex-wijken die bij de stad horen, zoals Leidsche Rijn (Utrecht), Nesselande (Rotterdam) en IJburg (Amsterdam). Die effecten zijn nu deels uitgewerkt. En juist omdat de stad zo populair is, de huizenprijzen er zo snel zijn gestegen en er relatief weinig grotere woningen met tuin zijn, betekent verhuizen voor jonge gezinnen meestal een vertrek uit de stad.

Altijd goed als bestaande ideeën op hun kop worden gezet met nuchtere feiten. Helemaal als die feitenop een overzichtelijke kaart worden gepresenteerd. Het toont aan hoe je moet oppassen met algemene termen als groei, jongeren en aantrekkingskracht. Wat kaarten en statistieken dan weer minder goed laten zien, is hoe mensen zich voelen. Achter elke verhuizing schuilt een verhaal. Hoeveel stadverlaters zouden er balend in de trein of auto zitten, verlangend naar de tijd dat ze nog op de fiets sprongen naar hun werk in de stad? Hoeveel zijn er juist elke dag weer blij met hun huis met tuin? Het is van alle tijden dat mensen de stad verruilen voor een ruimere en rustigere woonomgeving. En ook dat je als huizenzoeker niet alles tegelijk moet willen, want het spreekwoordelijke boerderijtje in de Kalverstraat bestaat alleen in sprookjes. Maar toch: in hoeverre is die trek uit de stad van jonge gezinnen nu een positieve keuze en in hoeverre is het een noodgedwongen suburbanisering van mensen die eigenlijk stedelijker zouden willen wonen? Er is maar één manier om erachter te komen: vraag het ze. Niet vluchtig en vlak na de verhuizing,maar in een onderzoek dat verder kijkt. Echt een klus voor geografen.

Verschenen in Geografie, januari 2018

11 december 2017

Kaartlezen (27) - Het dier als cartograaf


In de tv-serie Nederland van Boven was een paar jaar geleden ‘De dag van de meeuw’ te zien, over een meeuwenmoeder op Texel die ’s ochtends naar Amsterdam vliegt om daar uit vuilnisbakken in het centrum te snacken en ’s middags via de Noordzee weer terugkeert naar haar jongen. Wie het filmpje eenmaal heeft gezien, kijkt nooit meer hetzelfde naar een meeuw. Dieren leveren bijzondere kaarten op. Voor het menselijk oog lijken hun verplaatsingspatronen al snel willekeurig, alsof ze maar wat rondzwerven. Maar achter al die kronkellijnen zit een verhaal. Dieren gaan waar het veilig is, waar voedsel is en waar ze soortgenoten kunnen vinden of ontwijken. En net als mensen kunnen ze individueel enorm van elkaar verschillen. De één komt niet van zijn plek, de ander trekt eropuit.

De kaart die hier is afgebeeld, toont de noordoostelijke punt van Australië, het Cape York Peninsula. De kleurige lijnen zijn de verplaatsingen van vijf krokodillen die werden gevolgd met een elektronisch implantaat onder de huid. Je ziet dat twee krokodillen nauwelijks van hun plaats komen, twee andere zwemmen langs de kust en de vijfde beweegt zich in een lange rivier. De kaart is afkomstig uit het boek Where the Animals Go van James Cheshire en Oliver Uberti, dat dit jaar de prijs won van de British Cartographic Society voor de beste bijdrage op cartografisch gebied (link). De atlas brengt het ruimtelijk gedrag van vijftig diersoorten in kaart en geeft daarbij uitleg. Er zijn slangen die de Himalaya oversteken en een eenzame wolf die de Alpen doorkruist op zoek naar soortgenoten. Er is een albatros die in drie maanden een ‘rondje Antarctica’ doet, met tussenstops op diverse eilanden. Net als de krokodillen heeft hij soortgenoten die minder ver van huis gaan. De dieren in het boek zijn niet alleen gevolgd door ze te taggen, maar soms ook met verborgen camera’s. Zo ontdekten de onderzoekers dat het aantal jaguars in Peru veel kleiner is dan eerder werd gedacht. Bij waarnemingen van jaguars blijkt het vaak te gaan om hetzelfde dier dat zich verplaatst over grote afstanden.

De makers van de atlas hopen dat de kaarten helpen om de vaak moeizame relatie tussen mens en dier te verbeteren. De krokodillenkaart is daar een goed voorbeeld van. De grootste mannetjes en de vrouwtjes hebben hun eigen territorium en verplaatsen zich over kleine afstanden. De krokodillen die het vaakst in aanraking met mensen komen, zijn de exemplaren die grote afstanden afleggen op zoek naar een eigen territorium. Maar die zijn het minst gevaarlijk, en bovendien blijkt het weinig zin te hebben om ze te verplaatsen. Op de kaart is te zien hoe zo’n ‘probleemkrokodil’ werd vervoerd (het kaarsrechte rode stippellijntje) naar de andere kant van het schiereiland. Het dier zwom binnen een maand rond de hele kaap weer terug naar zijn oude plek, over een afstand van ruim vierhonderd kilometer.




Verschenen in Geografie, december 2017

8 november 2017

Geodicht




Welcome to Old West
Even hipper than the rest

Chalkboards on every street
For the cosmopolitan elite

So don't expect too much
If you want to learn some Dutch

Vintage, local and authentic?
Well, as long as it's organic

En voor ome Kees en tante Sjaan
Mag de Wibra blijven staan





1 november 2017

Nederland is geen stad


Je hoort steeds vaker dat de Randstad, of zelfs heel Nederland, eigenlijk als één grote stad moet worden beschouwd. Sommige organisaties gebruiken het concept al. De toerismebranche, verenigd in Holland Marketing, spreekt over HollandCity en hoopt zo de drempel voor bezoekers te verlagen om vaker buiten Amsterdam te kijken. Het bedrijfsleven denkt onder aanvoering van VNO-NCW op nog grotere schaal en probeert buitenlandse investeerders te werven met de term Tristate City. Nederland is hier het knooppunt van Europe's #1 urban power center, een grensoverschrijdende metropool die reikt tot Keulen en Lille.

Als je naar de kaart kijkt, lijkt het een logische gedachte. Onze samenklontering van steden, stadjes en buitenwijken beslaat ruwweg de omvang van een grote buitenlandse metropool. De vergelijking gaat het best op als je de uitwaaierende Amerikaanse steden als voorbeeld gebruikt. Wie met de auto dwars door Los Angeles rijdt, is inderdaad ongeveer even lang onderweg als van Amsterdam naar Eindhoven. Neem je Europese of Aziatische steden als vergelijking – Londen, Parijs, Madrid, Barcelona, Tokio, Seoel – dan is onze ‘wereldstad’ relatief dunbevolkt en ruim van opzet. Door verdedigers van de één-stadgedachte wordt wel geopperd dat dit gebrek aan hoge dichtheden juist een voordeel is en dat we de nog open ruimtes tussen de steden, zoals het Groene Hart, als ‘parken’ moeten zien.

In 2003 schreef ik voor Elsevier een stuk met de titel ‘Los Angeles in Holland’. Het ging over de Rotterdams-Haagse regio, waar de ruimte bijna ongemerkt was dichtgegroeid met vinexwijken, bedrijventerreinen, kassen, spoorlijnen en snelwegen. Een sluipende verstedelijking, die de vraag opriep of we de regio niet beter als één grote metropool konden zien. Een vraag die op dat moment nog werd versterkt door de aankondiging van de Randstadrail, de sneltram die de binnensteden van Den Haag en Rotterdam met elkaar zou verbinden.

Een paar jaar geleden maakte ik de rit per Randstadrail tussen de twee steden. De sneltram passeerde nieuwbouwwijken en restanten van oude dorpskernen: Pijnacker, Berkel en Rodenrijs. Slaperige stations met ernaast lege vlaktes, parkeerterreinen en bouwkeet-achtige bebouwing waarvan je moest raden wat het was. Als het klopt dat Den Haag en Rotterdam samen één stad vormen, dan zou dit dus het geografische hart van die metropool moeten zijn: een half-stedelijk tussengebied dat je overal in Nederland kunt aantreffen. Blijkbaar zijn korte afstanden en korte reistijden niet genoeg voor grootstedelijkheid. En dan is de Haags-Rotterdamse regio nog het gebied waar de samenklontering het verst is voortgeschreden.

Een vaak gehoord argument voor de één-stadgedachte is dat die blijkt uit het reisgedrag van mensen. Mensen werken tegenwoordig de ene dag in Amsterdam en de andere in Den Haag en gaan net zo makkelijk naar een concert in Utrecht als in Rotterdam, klinkt het dan, dus laten we dat hele gebied voortaan als één stad zien. Het is typisch groepsdenken van professionals en een enorme onderschatting van het belang van de ‘echte’ stad. Natuurlijk is er een groep die regelmatig hopt van de ene stad naar de andere. Maar als je zes keer per jaar een zakelijke afspraak hebt in een vergadercentrum in Den Bosch, maakt dat je nog geen Bosschenaar. De eigen stad blijft de belangrijkste schaal waarop de grote meerderheid van de mensen zich beweegt, waar ze uitgaan en waar hun sociale netwerken zijn. Je laat je hond uit in het stadspark, niet in het Groene Hart.

Wie beweert dat Nederland of de Randstad één stad is, begrijpt niets van stedelijkheid. Stedelijkheid is een milieu, een omgeving die zich onderscheidt door een bundeling van kennis, kapitaal en creativiteit, en dat alles in een hoge dichtheid. We hebben in Nederland een handvol van dat soort plekken. Het zijn de centra van de grote en een paar middelgrote steden. Plekken die je ‘grootstedelijk’ of ‘metropolitaan’ mag noemen, zijn er nog minder. Het feit dat juist die plekken steeds drukker en populairder worden en dat de huizenprijzen er het hardst stijgen, is een bewijs dat we er te weinig van hebben. Als we Nederland grootstedelijker willen maken, laten we dan de echt grootstedelijke milieus koesteren en versterken. En laten we onszelf vooral niet wijsmaken dat Pijnacker er ook één van is. Niets ten nadele van Pijnacker trouwens, je kunt er vast lekker rustig wonen. 

Station Pijnacker-Zuid