13 december 2016

Pas op voor kloofdenken

Asterix en de Broedertwist (1980)

Geografie maakt een sterke beurt op het moment. Overal in kranten en op websites verschijnen kaarten van verkiezingsuitslagen. Allemaal dankzij de kloof. Eerst was er de Brexit, toen Trump en daarna de Oostenrijkse presidentsverkiezingen. Steeds laten ze hetzelfde patroon zien: een enorm verschil tussen de steden en het landelijk gebied. Londenaren zagen op 24 juni tot hun afgrijzen dat 'de rest' hun land uit de Europese Unie had gestemd. In de Verenigde Staten won Hillary Clinton alle grote steden, maar werd Donald Trump president omdat hij toesloeg in de gebieden daarbuiten en zijn stemmen gunstiger verdeelde over het land. In Oostenrijk konden de inwoners van Wenen, Graz en Salzburg ternauwernood voorkomen dat de rechts-nationalistische Norbert Hofer president werd.

De analyse is steeds hetzelfde: in de stad wonen de rijken, de jongeren, de hoger opgeleiden en de immigranten. Daar geloven ze nog in internationalisering, in Europa en in de multiculturele samenleving. Buiten de stad heerst het onbehagen, daar zijn steeds meer mensen die het geloof in de politiek zijn kwijtgeraakt. 'De inwoners van de periferie weten onbewust dat ze niet nuttig zijn', zegt de Franse geograaf Jacques Lévy in een interview in de Volkskrant op 10 december. Marine Le Pen heeft weinig aanhang in de Franse steden, maar zou dankzij de provincie toch heel goed de volgende president kunnen worden.

Het is allemaal boeiend voor iedereen die is geïnteresseerd in geografie. Maar er wringt ook iets. Ten eerste is de simpele tweedeling stad/land juist voor Nederland niet erg geschikt. Ook bij ons zijn de steden gemiddeld linkser en kosmopolitischer. Maar de PVV, de partij die een groot deel van de proteststem vertegenwoordigt, scoorde bij vorige verkiezingen hoog in steden als Almere, Rotterdam, Heerlen en Zaanstad. Niet echt wat je noemt landelijk gebied. Het echte landelijk gebied is bij ons nog vooral in handen van traditionele partijen. Bijvoorbeeld het CDA in de kleinere gemeenten in Overijssel, de VVD in Noord-Hollandse poldergemeenten en de PvdA in Drenthe. En dan is er nog de bible belt, waar SGP en ChristenUnie een buffer vormen tegen electorale verrassingen.

Er zit hoe dan ook iets raars in die tweedeling tussen stad en periferie. Zijn we alweer vergeten hoe we bij de vorige kiezersopstand, in 2002, nog vooral spraken over 'de problemen in de wijken'? Criminaliteit, immigratie en integratie waren de onderwerpen. Pim Fortuyn veroverde Rotterdam, toch ook een grote stad. En nu hebben we het ineens, geïnspireerd door het buitenland, over bloeiende en zelfs 'elitaire' steden waar alles goed gaat en een ommeland dat knarst van de ontevredenheid. Een deel van de verklaring kan zijn dat het écht beter gaat met de steden dan vijftien jaar geleden, onder meer dankzij investeringen in nieuwbouw en het terugdringen van kansarme immigratie. Maar het blijft wel een opvallend grote omslag: van boze burgers in de wijken naar boze burgers in de periferie. Het toont aan dat onvrede niet gemakkelijk geografisch valt te vertalen, en ook dat je moet oppassen voor het denken in simpele tweedelingen.

Er is nog een ander bezwaar tegen het kloofdenken. Als politiek wordt teruggebracht tot een clash tussen gebieden en groeperingen, gaat het nauwelijks nog over de politiek zelf. Je kunt vaststellen dat Trump of Wilders veel aanhang hebben onder blanke, laagopgeleide inwoners in relatief arme regio's. Maar dan weet je nog niets over hun politieke opvattingen. Je kunt iemand toewerpen: 'Natuurlijk ben jij voor duurzame energie, want je bent hoogopgeleid en woont in een grote stad’. Maar dan heb je geen discussie over duurzame energie, je bent alleen etiketjes aan het plakken. Daar zit het probleem met het kloofdenken. Het ontneemt het zicht op de inhoud en haalt de verantwoordelijkheid weg bij mensen voor hun ideeën. Maar niemand is het slachtoffer van zijn woonplaats of groep. Vierkante kilometers stemmen niet, net zo min als groepen. Het kloofdenken doet geen recht aan de verscheidenheid aan politieke ideeën; zelfs in het fanatiekste PVV-buurtje woont een GroenLinkser, en andersom. Soms loopt de kloof zelfs dwars door mensen heen. Zie de portretjes bij elke verkiezingen van zwevende kiezers die aarzelen tussen soms totaal verschillende partijen als de SP en de VVD.

Het grootste kloof-onderwerp blijft de multiculturele samenleving. Nieuwsuur bracht eind november een reportage uit Steenbergen, de Brabantse gemeente waar eerder een raadsvergadering over de komst van asielzoekers werd verstoord. We zien een vinex-achtige wijk die overal in Nederland had kunnen staan. Ernaast een groot braakliggend terrein, waarop veertig miniwoningen moeten komen waarvan maximaal een derde voor statushouders. Verschillende omwonenden komen aan het woord. Sommigen zijn tegen ('Het is toch een ander soort mentaliteit'; 'Angst wil ik niet zeggen, maar geen fijn gevoel in de onderbuik.' ). Anderen zijn voor: ('Van mij mogen ze komen. Die mensen moeten ook ergens leven.'). 

Dan heeft de verslaggever het volgende gesprek met een vader bij de school, ook weer zo'n gloednieuw, intens keurig gebouwtje.
Verslaggever: 'Die mensen hebben een verblijfsvergunning, ze moeten toch ergens wonen?'
Man: 'Laat ze dan ergens anders naar toe brengen. Amsterdam of zo. Da's ver zat.'
Verslaggever: ‘Daar zitten ze ook.' (en dat klopt)
Man: ‘Ja, maar hier moeten ze in elk geval weg. Dat is duidelijk.'

Dit is hem dus in volle glorie. De kloof. Een boze - of is het bange? - burger die vindt dat de sobere huizen voor oorlogsvluchtelingen allemaal in de verre stad moeten worden gebouwd. Het is nuttig om te weten hoe zulke ideeën geografisch zijn verspreid en welke groepen mensen ze het vaakst hebben. Maar blijft het bij onderzoeken of mogen zulke opvattingen ook nog weersproken worden? Het risico bestaat, en je ziet het nu al gebeuren, dat extreme ideeën worden genormaliseerd als we ze alleen nog als geografische of sociologische patronen zien. Dat je woorden als xenofobie of racisme helemaal niet meer mag gebruiken, want dan ben je iemand die periferiebewoners of andere categorieën 'niet begrijpt'. Dan weten we alles over de kloof maar hebben we het politieke debat weggetoverd.

Afbeelding uit De Volkskrant, 10/12/2016

10 december 2016

Geodicht




De inwoners van Groningen
Trillen uit hun woningen

Woedend op de taxateur
Die twijfelde aan elke scheur

Ook hij wist hoe het kwam:
De staat vond, boorde en NAM

Maar reparaties bovengronds
Zaten niet in 't aardgasfonds

Oost West, huis verpest
Noord bleef altijd wingewest


Prognose bodemdaling 2050 in centimeters

2 december 2016

Kaartlezen (18) - Uitgesproken geografisch


(English version below)

Nederlanders praten graag en veel Engels. Maar niet altijd even goed, zo blijkt onder meer in het debat over de toenemende Engelstaligheid aan de universiteiten. Vooral de th-klank in three en thank you is voor sommigen een struikelblok. Voor diegenen is het misschien een geruststelling dat de th-klank ook in het Verenigd Koninkrijk aan een gestage Brexit bezig is. Er zijn steeds meer Britten die three uitspreken als free. In 1950 was het aandeel free-zeggers beperkt tot een klein gebied rond Londen. Nu zijn er grote delen van Engeland, vooral in en rond de steden, waar een kwart of meer van de bevolking de th-klank achterwege laat.
 
Dat weten we dankzij een onderzoek van de universiteit van Cambridge naar verschuivende uitspraakpatronen. Via een online-enquete waaraan ruim dertigduizend Britten meededen, werden de uitkomsten vergeleken met een onderzoek uit 1950. De regionale verschillen in uitspraak en woordkeuze zijn sindsdien kleiner geworden. Typische streekwoorden verdwijnen, zo heet de herfst inmiddels vrijwel overal autumn terwijl er in de jaren vijftig nog in grote delen van het land backend of fall werd gezegd. De uitspraak van Londen en omgeving heeft zich vanuit het zuidoosten over het land verspreid. Nog een woord waaraan dit valt te merken, is arm. In 1950 waren er nog grote delen van Engeland waar de r in dat woord werd uitgesproken; de hele zuidkust, de regio Newcastle. Nu heeft de r-loze uitspraak (ahm) het grootste deel van Engeland en Wales veroverd. In Schotland, Noord-Ierland en Ierland heeft de r wel stand gehouden. De onderzoekers verwachten dat door migratie en arbeidsmobiliteit de regionale verschillen in uitspraak verder zullen verkleinen.
 
De voorbeelden three en arm maken duidelijk dat zowel een ‘foute’ als een ‘goede’ uitspraak zich kan verspreiden. Iemand die free in plaats van three zegt zal bij de BBC weinig kans maken als presentator. Dat terwijl het weglaten van de r in arm juist geldt als standaard-Engels, ook wel aangeduid als the Queen’s English. De dialecten-app waarmee het onderzoek is uitgevoerd kan door iedereen worden gedownload (link), zodat je kunt testen welk soort Engels je zelf spreekt. Aan de hand van 26 vragen wordt geraden waar je vandaan komt. Zonder overigens rekening te houden met deelnemers van buiten de Britse eilanden. Bij mij dacht de app dat ik uit het zuiden van Ierland afkomstig was.
 
Leuk, zo’n onderzoek. Maar het maakt ook hebberig naar meer. Want als er nou één taalgebied is met een grote geografische verscheidenheid aan klanken, dan is het wel het Nederlandse. Onderzoek naar streektalen is er genoeg, maar hoe zit het met de verspreiding van meer algemene klankverschuivingen, zoals de vervanging van de ij/ei-klank door een aai-klank? Nemen de uitspraakverschillen tussen Nederland en Vlaanderen inderdaad toe, zoals je vaak hoort beweren? Ook interessant zou zijn om de spreiding van ‘hun hebben’ in kaart te brengen. Volgens sommige taaldeskundigen moeten we daar maar aan wennen en is deze constructie op weg om standaard-Nederlands te worden. Vooruitlopend daarop zouden we misschien een beschermd taalgebiedje kunnen aanwijzen waar hij fout is en blijft.




Verschenen in Geografie, november 2016 www.geografie.nl


Geographically speaking


The Dutch like to speak English. But not always successful, as evidenced by the debate about the poor English at Dutch universities. Especially the th-sound in three and thank you is a challenge to many people. For them it might be a comforting thought that the th-sound is making a slow Brexit in the United Kingdom as well. More and more British people pronounce three as free. In 1950, nearly all free-sayers were concentrated in a small area in and around London. Today there are many parts of England, especially urban areas, where a quarter or more of the population omit the th. These shifting pronunciation patterns have been studied by the University of Cambridge with an online survey among more than thirty thousand participants. The results were compared to a survey from 1950. Regional differences in pronunciation and vocabulary have since narrowed. Typical dialect words disappear, and aspects of the London accent have spread over a wide area. Another word to which it is to be noted, is arm. In 1950, there were still large areas of England where the r in that word was recognizable, such as the south and the Newcastle region. Today the r-less pronunciation (ahm) has conquered most of England and Wales. The r has survived in Scotland, Northern Ireland and Ireland. The researchers expect that regional differences in pronunciation will further reduce.

The examples three and arm make it clear that both 'bad' and 'good' pronunciation may spread. Someone who says free instead of three will have little chance to present the BBC-news. At the same time dropping the r in a word like arm is perceived as the Queen's English. The dialects app with which the research was conducted can still be downloaded (link), so you can test what kind of English you speak yourself. Based on 26 questions it guesses where you are from. However without taking into account participants outside of the British Isles. In my case the app thought I was from the south of Ireland.

Very interesting, such an investigation. But it also makes greedy for more. Because if there is one language region with a great geographical diversity of sounds, it is the Dutch. There is plenty of research into regional dialects, but what about the spread of more general pronunciation shifts, such as the replacement of the ij/ei -sound by an ai -sound? Are differences in pronunciation between the Netherlands and Flanders indeed increasing, as often claimed? It would also be interesting to map the replacement of ze (they) by hun, which can mean both their and them. A good example is the widespread hun hebben (them/their have)According to some linguists we have to get used to it because it is on it’s way to become standard Dutch. In anticipation, we might designate a protected area where it will continue to be wrong.

11 november 2016

Geodicht


De gokker voelde zich lucky
Won de jackpot in Kentucky

Verscheurde zijn belastingnota's
En plukte de Dakota's

Met een hoop onzin
Pakte hij Wisconsin

Maakte vrouwen uit voor sloerie
Zo greep hij Missouri

Nu speelt de gokker presidential poker
Heeft-ie een troefkaart of is hijzelf de joker?

10 november 2016

Maak van Trump-stemmers geen slachtoffers


Net als veel anderen werd ik woensdag met een schok wakker. Trump had gewonnen. En net als bij eerdere Amerikaanse presidentsverkiezingen raakte ik in de loop van de dag toch weer gefascineerd door alle uitslagen, verwerkt in mooie graphics en kaarten. De Amerikaanse verkiezingen zijn de meest geografische die er bestaan. Stratego in het echt, met de machtigste baan ter wereld als inzet. In een 'saai' kiesstelsel waarin de meeste stemmen tellen, had Clinton gewonnen. Dan hadden de Amerika-kenners 's avonds in de talkshows uitgelegd waarom het volk toch een beetje van haar houdt, en wat Trump fout had gedaan.

Het voelt oneerlijk dat degene die de meeste stemmen wint de verkiezingen verliest, maar er zijn ook goede argumenten voor het Amerikaanse systeem. Zo kan het kandidaten dwingen om aandacht te schenken aan kleinere steden of dunbevolkte gebieden. Nu was bijvoorbeeld Ohio aan de beurt, waar elke uithoek werd bevochten omdat de staat weleens de doorslag kon geven. Het toont meteen aan dat de kritiek dat 'de gewone man in de periferie' door politici over het hoofd wordt gezien niet terecht is. De Amerikanen die het meest mogen klagen over een gebrek aan aandacht zijn de inwoners van Los Angeles, New York of Dallas. Zij wonen in staten waar het al vele verkiezingen achter elkaar totaal niet spannend is.

Al snel na de schok komt ook altijd de normalisering. 'Of we het leuk vinden of niet, we zullen het moeten accepteren en ervan moeten leren', was meteen al het dominante geluid in Nederland. Van politici kun je die voorzichtigheid begrijpen. Zij moeten inderdaad verder met de VS onder Trump. Maar van commentatoren mag je meer verwachten. In veel Amerikaanse media, maar ook in een Britse krant als de Guardian, waren de commentaren snoeihard. Het was een tragedie voor Amerika, een zwarte dag. Bij ons heerste het frame dat we vooral moeten proberen te begrijpen waarom mensen op Trump hadden gestemd, verwoord in het sussende ‘het zijn heus niet allemaal idioten of racisten’. Dat is zo, maar het betekent niet dat we het niet over racisme moeten hebben als we de overwinning van Trump analyseren. Of over haat, complotdenken en in de media opgepookte massahysterie. Over alle krankzinnige dingen die Trump zelf heeft gezegd in de campagne. 

Een deel van die Trump-stemmers bestaat gewoon uit pechvogels die aan de verkeerde kant van de spoorweg wonen, zei voormalig Amerika-correspondent Charles Groenhuijsen bij Pauw. Het is een geluid dat we eindeloos hebben gehoord in de campagne: de Trump-aanhang als economische verliezers. Maar de cijfers laten zien dat de inkomensverdeling tussen Trump- en Clinton-stemmers nauwelijks verschilt. Trump heeft zelfs iets meer stemmers in hogere inkomensgroepen. (Zie de exit polls op de site van de New York Times). Ook in opleidingsniveau is er relatief weinig verschil. Wel in woonplaats: Trump-aanhangers wonen duidelijk vaker in kleine steden en op het platteland. 
                                          
Ook bij Pauw legden de Rotterdamse wethouder Joost Eerdmans en journalist Wierd Duk de stem op Trump uit als een antwoord op immigratie en globalisering. De 'elite' zou niet begrijpen dat de veranderingen in de samenleving te snel gaan voor het gewone volk. De elite versus het volk, angst voor verandering: het zal voor een deel kloppen. Maar mag het dan ook gaan over hoe die angst precies is ontstaan? De meeste Trump-stemmers hebben het materieel goed. Ze zijn hun baan niet kwijtgeraakt aan een Chinees of Mexicaan. Ze wonen op de plekken waar de minste immigranten zijn, plekken waar je flink je best moet doen om ook maar één moslim te zien. Het zijn geen mensen die 'de gevolgen van globalisering' merken. Het probleem is juist dat ze die gevolgen niet merken, ze kennen ze alleen van horen zeggen. De buitenwereld bestaat voor hen vooral in de social media, op websites en op televisie, opgediend in een giftig dieet waarin geen onderscheid meer is tussen feiten en leugens, tussen show en inhoud, tussen loze beloftes en doordachte plannen. Zo komen ze aan hun ideeën. Dat Obama geen geboren Amerikaan is, een leugen die jarenlang werd verspreid door Trump. Dat klimaatverandering niet bestaat. Dat Amerika wordt bedreigd door de islam, door hordes immigranten. Dat de Clintons deel uitmaken van een samenzwering tegen de gewone Amerikaan. Daarom stemden ze op Trump, niet omdat ze een willoos slachtoffer waren van de demografische of geografische groep waartoe ze behoorden. It's the ideology, stupid!

4 november 2016

Straatkaarten (2)

Het is weer tijd voor een paar verrassende versies van Nederland. Want je komt soms de raarste dingen tegen op en langs de weg. Eerst een geparkeerd busje van een onbekend bedrijf. Niet echt handig om de kaart precies over de zijdeur te leggen, waardoor ons toch al kwetsbare landje door een akelige breuklijn wordt doorsneden. Maar dat is nog niet het grootste probleem van deze kaart. Limburg lost zomaar op in het niets, losse stukken Schelde en Maas duiken op in België. Wat een rommeltje. Een klassiek geval van lost in manipulation (zie ook deze blog).




Dan zien we een busje van een bedrijf met de ietwat nondescripte naam Service Team Nederland. Dat lijkt er al meer op. Liever een impressie van Nederland dan een verhaspelde echte kaart. Best slim hoe die S het IJsselmeer uitsnijdt en vrij vormgetrouw de Noordhollandse kustlijn volgt. De kaart zondigt wel tegen een belangrijke basisregel van de impressionistische cartografie: als je Waddeneilanden laat zien moeten het er vijf zijn. Het doet er niet toe of je er bolletjes of blokjes van maakt; vier Waddeneilanden, dat is net zo iets als Sneeuwwitje en de zes dwergen of de twee musketiers.



De hoofdprijs in deze ronde gaat naar het logo van transportbedrijf Albert Keijzer uit Zaandam. Kijk, zo maak je dus een gestileerde versie van dat lastige Nederland. Supersimpel en toch onmiddellijk herkenbaar. Een rondje voor het IJsselmeer, een streep voor de Wadden en een uitstulping voor Limburg. Meer heb je niet nodig. Heel mooi ook hoe de hellingshoek in het logo terugkeert in de tekst ernaast en hoe het lettertype past bij de afbeelding. Hier is iemand bezig geweest die de kunst van het weglaten verstaat.



Ook een opvallende kaart op een bedrijfswagen gezien? Inzendingen zijn welkom.

17 oktober 2016

Geografie als duizenddingendoekje

Afgelopen week zag ik een reportage op televisie over een mijnwerkersstadje in West-Virginia waar de bevolking massaal op Donald Trump zei te gaan stemmen. De naam van het stadje ben ik vergeten, net als die van de actualiteitenrubriek. Het doet er ook niet toe, want ik had het verhaal inmiddels al vaak genoeg gehoord. Half verlaten industriesteden in Ohio, wegroestende mijnwerkersstadjes in West-Virginia; dáár zitten al die Trump-aanhangers. Als je dit ziet, lijken de makers te willen zeggen, dan begrijp je waarom zoveel Amerikanen achter Trump aanlopen.

Het is flauwekul. Voor het grootste deel dan. Want zelfs al zou Trump hoog scoren in dit soort gebieden, dan nog moeten er tientallen miljoenen niet-arme Amerikanen uit niet-leeggelopen steden zijn die voor hem kiezen, anders zou hij nooit een stabiele basis van veertig procent of meer in de peilingen hebben. De mythe van de arme Trump-stemmer is al eerder ontkracht. Tijdens de Republikeinse voorverkiezingen bleek het inkomen van de kiezers die op Trump stemden zelfs hoger te liggen dan het Amerikaanse gemiddelde (link).

En dan toch steeds weer die spooksteden in Ohio en West-Virginia. Alsof een politieke stroming moet worden vastgepind op een handvol herkenbare locaties. Geografie als duizenddingendoekje. Je zag het ook bij Jean-Marie Le Pen in Frankrijk en Pim Fortuyn in Nederland. Tijdens de opkomst van het Front National in de jaren negentig trok iedere journalist naar de volkswijken in Marseille, omdat de partij daar het hoogst in de peilingen stond. Maar de vijftien procent van de Fransen die op de partij stemde, woonde in grote meerderheid niet in zo'n volkswijk. Bij Fortuyn kregen de achterstandswijken (opmerkelijk trouwens hoe weinig je dat woord nog hoort) in Rotterdam en Den Haag veel aandacht. Uiteindelijk stemden 1,6 miljoen kiezers in 2002 op de LPF. De partij moest het vooral hebben van doorsnee-gemeenten in het westen van het land, zoals Aalsmeer, Spijkenisse en Purmerend.

Natuurlijk is geografie belangrijk. Op Amerikaanse verkiezingskaarten kon je in 2008 al zien dat er iets broeide. Bij de overwinning van Obama op McCain schoof een groot deel van het land op in de richting van de Democraten. Maar er was ook een duidelijk afgebakende regio die de andere kant opging: een langgerekte strook over Oklahoma, Arkansas, Tennessee (uitgezonderd steden als Memphis en Nashville) en een deel van Kentucky en West-Virginia waar de kiezers tegen de landelijke trend in méér Republikeins stemden dan in 2004. Toen was dus al zichtbaar dat een deel van de voormalige Democratische aanhang niet meeging in de hoopvolle boodschap van Obama, en ook dat deze groep het grootst was in relatief arme en blanke gebieden.

Maar een geografisch patroon is nog geen verklaring. Ook niet voor de opkomst van Trump. Voor zijn populariteit zijn ongetwijfeld economische en sociaal-culturele oorzaken te vinden die zich op sommige plaatsen sterker voordoen dan op andere: de armoede op het Amerikaanse platteland, het sentiment in de ‘tussenliggende’ staten dat alleen de grote steden aan de kusten er toe doen. Maar waarom stemmen de bewoners in die gebieden dan uitgerekend op een New Yorkse miljardair? Waarom kiezen tientallen miljoenen Amerikanen - van wie de grote meerderheid niet arm of werkloos is en niet woont in een verpauperde industriestad  - voor een leider die xenofobie, agressie en complotdenken tot de kern van zijn boodschap maakt? Laten we de meest voor de hand liggende verklaring niet over het hoofd zien: omdat ze het met hem eens zijn.

16 oktober 2016

Liefde voor de echte metropool

Een lofzang op de wereldstad en een aanklacht tegen het gebrek daaraan in Nederland, zo zou je De toekomst van de Stad van Zef Hemel kunnen noemen. Het is zo'n boek waar je als lezer niet onverschillig tegenover kunt staan. Het wekt verbazing op, het is inspirerend en er staan zowel dingen in waar je het mee eens als hartgrondig mee oneens kunt zijn. Geograaf en planoloog Hemel, bijzonder hoogleraar op de Wibautleerstoel van de Universiteit van Amsterdam, heeft een 'boek met de kracht van een pamflet' willen schrijven. Hij is niet alleen een gepassioneerd verdediger van grootstedelijkheid, hij ergert zich ook. Want we begrijpen te weinig van steden, vindt hij, vooral in Nederland. In onze drang naar regulering en maakbaarheid hebben we onze aandacht voor de stad versnipperd over allerlei beleidsterreinen, waardoor we het zicht op de stad als geheel zijn kwijtgeraakt. Je hoort de schrijver zuchten tussen de regels als hij opsomt welke kansen op grootstedelijkheid we hebben laten lopen. De stad is altijd afgeknepen. Met de invoering van het Gemeentefonds in 1929 verloren het rijke Amsterdam en het net opkomende Rotterdam in een klap al hun reserves. In de jaren vijftig begon de regering met een actief spreidingsbeleid om banen en bevolking vanuit het westen te verplaatsen naar minder dichtbevolkte delen van het land. Begin jaren zestig werd het groeikernenbeleid ingezet, met steden als Purmerend, Zoetermeer en Nieuwegein als hedendaagse getuigen. Het waren varianten op de door Hemel verfoeide tuinstad, maar dan op afstand van hun moederstad. Na de afschaffing van het groeikernenbeleid in 1984 begonnen de grote steden zich weer wat te herstellen, maar het beleid had toen zijn 'funeste werk' al gedaan. 

Het resultaat van onze anti-stedelijke houding, schrijft Hemel, is een land vol versnipperde en sterk verdunde steden, doorsneden door te veel infrastructuur. Instemmend citeert hij de OESO, die enkele jaren geleden waarschuwde dat de geringe agglomeratiekracht een zwak punt is van de Nederlandse economie. Maar met de aangedragen oplossing - het versterken van de samenhang tussen de steden - is hij het dan weer helemaal oneens, want in het 'aan elkaar plakken' van steden ziet hij geen heil: 'Nederland of de Randstad is geen stad. Doe je alsof, dan ontneem je de echte stad de kans om nog één keer te bloeien.'

De toekomst van de stad is een genot om te lezen voor iedereen die is geïnteresseerd in geografie. In vliegende vaart komen vele onderwerpen voorbij: de watervoorziening van New York, de verbijsterend snelle groei van Chicago aan het eind van de negentiende eeuw, de doorbraken van Baron Haussmann in Parijs, de kortstondige bloeiperiode van Zuid-Limburg (leuk weetje: Heerlen kende in de jaren '60 na Rotterdam de hoogste bontjassendichtheid van Nederland). Wat het extra aantrekkelijk maakt, is dat Hemel voortdurend bestaande wijsheden uitdaagt en er nieuwe tegenover zet. Er is volgens hem geen reden voor tobberigheid over de explosieve groei van Aziatische en Afrikaanse steden. Want megasteden zijn geen probleem, maar een oplossing: ze zijn duurzamer, vreedzamer en productiever dan het platteland of kleine steden. Ze zijn ook een probaat middel tegen overbevolking, want zodra mensen migreren naar de stad daalt het geboortecijfer. 'Laat energiebronnen, water, voedsel en arbeidskrachten naar de steden stromen, en probeer dit niet te herverdelen. Alleen daar wordt dit goud.' Nog zo'n eigenzinnige waarneming: de problemen in de Bijlmer ontstonden niet door de plotselinge immigratiegolf, zoals je vaak hoort. Het was al vanaf het begin een problematische wijk, gebouwd door stedenbouwers die niet begrijpen hoe echte stedelijkheid werkt. De komst van Surinaamse en andere migranten heeft de wijk juist gered. Zonder hen zou het pas echt een ramp zijn geworden.

"Doe niet alsof Nederland of de Randstad één stad is"

De flitsende, pamflettistische stijl zorgt ook voor losse eindjes. Dat is bijvoorbeeld het geval in de economische onderbouwing. Grote steden zijn volgens Hemel niet in de eerste plaats succesvol dankzij handel of specialisatie (weer zo’n verrassing), maar dankzij import-substitutie. Hier leunt hij sterk op de Japanse, Koreaanse en Chinese steden die deze truc - afkijken hoe producten worden gemaakten om het daarna zelf beter te doen - tot in de perfectie beheersen. Steden als Tokio en Seoul, zegt Hemel, bewijzen dat je voor importvervanging massa en dichtheid nodig hebt. Hier waren meer voorbeelden toch welkom geweest. Want hoe valt te verklaren dat er zoveel langdurig succesvolle kleinere steden zijn, steden die zich vaak wel hebben gespecialiseerd? En hoe werkt het proces van importvervanging in steden als de onze, die veel meer op diensten zijn gericht? In een stad als Amsterdam is weliswaar een opleving van de kleinschalige maaksector te zien, van 3D-printing tot hippe fietsen en organische cupcakes, maar het lijkt nog wat vroeg om dit al uit te roepen tot de kurk waarop de stedelijke economie drijft.

Het meest overtuigend is Hemel als hij aantoont dat het typisch Nederlandse verstedelijkingspatroon, met spreiding en kleinschaligheid als kenmerk, is gebaseerd op keuzes en overtuigingen. In zijn diverse functies als planoloog is hij daar zelf bij geweest. Opeens begrijp je beter waarom hij al een tijdje pleit voor een 'verdubbeling' van Amsterdam. Voor hem is het een correctie op decennia van anti-stedelijk beleid. Eigenlijk wil hij de geschiedenis rechtzetten. Dat maakt zijn pleidooi ook kwetsbaar voor kritiek. Het is immers niet zo moeilijk voor zijn critici om de bestaande situatie als succesmodel op te voeren. Tegenover elk bewijs voor de populariteit van de stad is een tegenbewijs te vinden. Zo is het percentage jonge gezinnen dat uit Amsterdam naar een randgemeente verhuist tussen 2012 en 2015 bijna verdubbeld, dus hoezo is de stad bij iedereen populair? En Utrecht, Groningen en Haarlem groeien en bloeien ook als nooit tevoren, dus hoezo alle kaarten op Amsterdam?

Hier ligt een taak voor onderzoekers, waaronder ook geografen. Zij kunnen meer helderheid brengen in het stadsdebat. Bijvoorbeeld door de motivaties en het keuzeproces achter de verhuiscijfers te onderzoeken. Hoeveel forenzen zouden eigenlijk liever wonen in de stad waar ze werken? En waar zien de millennials die nu op de arbeidsmarkt komen zichzelf wonen en werken, nu en in de toekomst? Kortom: heeft Zef Hemel gelijk dat we de behoefte aan grootstedelijkheid in Nederland schromelijk onderschatten?

Eerder verschenen op www.geografie.nl

9 september 2016

Amerika in romans (2)


De beste literatuur voor bij de presidentsverkiezingen. Of voor wie tijdens het lezen even het gevoel wil hebben in de States te zijn. Vijf romans die iets vertellen over de Amerikaanse samenleving, steden en landschappen.


Tom Wolfe – Back to Blood

Tom Wolfe is de meester van de sociale satire. Vaak met een stad als middelpunt, zoals New York in The bonfire of the vanities en Atlanta in A Man In Full. In Back to Blood (2012) is Miami het toneel. De hoofdpersoon is een Cubaans-Amerikaanse politieman die een Cubaanse bootvluchteling aanhoudt vlak voordat die voet aan land kan zetten. Helaas voor de agent wordt het incident rechtstreeks op de lokale televisie uitgezonden, waarna hij in een loyaliteitsconflict komt met zijn 'eigen' mensen.

Je kunt veel zeggen over Wolfe, maar niet dat zijn romans subtiel zijn. Zoals altijd worden de gespannen verhoudingen tussen de verschillende bevolkingsgroepen moddervet aangezet. In Miami gaat het vooral om de machtsstrijd tussen de Cubanen en de Afro-Amerikanen. Andere migrantengemeenschappen, zoals de Haïtianen, moeten daar tactisch tussendoor zien te laveren. De Russische nouveau riche heeft zich gestort op de kunstwereld, waarvan de decadentie door Wolfe haarfijn wordt ontleed.

Je kunt het karikaturaal of cynisch noemen, zoveel nadruk op etniciteit, alsof de moderne Amerikaanse stadsbewoners niets meer zijn dan de optelsom van hun afkomst en ambities. Zulke verwijten krijgt Wolfe dan ook regelmatig. Maar misschien moet je een roman als Back to Blood niet al te serieus nemen en lezen als een satirische, volkomen politiek-incorrecte weergave van de stedelijke microkosmos. Het knappe is dat je je echt even in Miami waant, misschien wel de minst Amerikaanse van alle Amerikaanse metropolen. Elke buurt wordt beschreven; van het boomloze Hialeah, waar de Cubanen hun Amerikaanse droom hebben waargemaken, tot de hippe kunstwijk Wynwood en de afgelegen suburbs aan de rand van de Everglades. En natuurlijk Miami Beach, het volgebouwde schiereiland voor de kust waar de nieuwe rijken het goede leven vieren. 


Jonathan Franzen – The Corrections

Het is een genre op zichzelf: de Grote Amerikaanse Roman. Je houdt ervan of niet, zo’n breed uitwaaierend verhaal met talloze personages en meerdere verhaallijnen die uiteindelijk via enorme omwegen bij elkaar komen. In de familieroman The Corrections (2001) is 'bij elkaar' het stadje St. Jude, waar moeder Enid droomt van een laatste Kerstmis thuis met haar drie volwassen kinderen. Met vader Alfred gaat het niet goed. Hij trekt zich uitgeblust en verbitterd zich terug in zijn garage, waar nog een paar overblijfselen liggen van zijn loopbaan bij de Midwest Pacific. Van dat spoorwegbedrijf is ook al weinig meer over, want de gouden tijden van de trein in Amerika zijn voorbij.

St. Jude bestaat niet echt, maar uit de tekst kun je opmaken dat het ergens in de landelijke staat Iowa is gesitueerd. De drie uitgezworven kinderen zijn alle drie naar de oostkust verhuisd. Over haar jongste zoon Chip vertelt moeder aan iedereen dat hij bij de Wall Street Journal werkt, omdat ze dat aan de telefoon denkt te hebben verstaan. Vergist ze zich echt, of is het pochen uit zelfbescherming? Dochter Denise heeft succes in Philadelphia als chef-kok maar heeft er in haar privéleven een behoorlijk rommeltje van gemaakt. Veel onderling contact hebben de kinderen niet. Een van de hoogtepunten in de roman is een e-mailwisseling waarin broer en zus elkaar helemaal verrot schelden. De aanleiding is de rode draad die alle verhaallijnen bij elkaar houdt: de kwestie of ze met Kerstmis naar 'huis' zullen gaan. Ook oudste zoon Gary is al jaren niet met zijn gezin in St. Jude geweest. Deze keer wil hij graag, maar zijn vrouw saboteert op alle mogelijke manieren het familiebezoek.

Bij de Great American Novel hoort de ambitie om iets te zeggen over veranderingen in de Amerikaanse samenleving. In The Corrections zijn dat het afbrokkelen van zekerheden, het verlies van vaste waarden, vaste banen, hechte familiebanden en de zekerheid dat elke generatie het beter heeft dan de vorige. De roman gaat ook over de afstand tussen ouders en kinderen. Figuurlijk maar ook letterlijk: de drie kinderen aan de stedelijke oostkust en de ouders in de landelijke Midwest, vasthoudend aan de burgerlijke waarden waarmee ze zelf opgroeiden.

Aan het slot komt het tot een voorzichtige en voorlopige verzoening tussen de hoofdpersonen. Want je kunt de kinderen wel uit de Midwest halen, je haalt de Midwest niet uit de kinderen. Dat klinkt misschien wat braafjes, maar dat is het niet. Franzen heeft je dan al zo knap meegenomen in de levens van de hoofdpersonen dat het je als lezer écht iets kan schelen of die hereniging in St. Jude er zal komen.


Donna Tartt – The Little Friend

De jaren zeventig, het zompige zuiden van de Verenigde Staten, een klein stadje in de staat Mississippi. Houten huizen met veranda's en weelderige tuinen waarin vrijgezelle roddeltantes wonen. Daartussen een twaalfjarige meisje met een rijke fantasie en een hele zomer vrij. Die benut ze om op zoek te gaan naar de moordenaar van Robin, haar broer die ze nooit heeft gekend omdat hij vlak na haar geboorte hangend aan een boom in de tuin werd gevonden.

(Spoiler-alert). Het moordmysterie The Little Friend (2002) is van de drie grote Tartt-romans de minst gelauwerde. Ongetwijfeld heeft dat te maken met de ongebruikelijke vorm. Anders dan in haar eerste, mega-succesvolle roman The Secret History blijft het moordmysterie deze keer onopgelost. Een thriller die tot op de laatste pagina een ontknoping belooft zonder die te geven; niet iedereen kan ertegen, sommige lezers reageerden zelfs woedend. Dat is jammer, want meer nog dan een thriller is de roman een fascinerend portret van het Amerikaanse Zuiden. Tartt spint een web van magie met als ingrediënten onder meer een waanzinnige dominee, een huis vol slangen, alles overwoekerend onkruid en een buitengebied met outlaws die zich door niemand iets laten vertellen. Een van de mooiste scénes is die waarin Harriet samen met een kandidaat-moordenaar terecht komt in een watertoren, ook zo'n typisch Amerikaans symbool.

De vraag is of de schrijfster geen spel speelt met de lezer door allerlei aanwijzingen te verstoppen in het verhaal. Daar lijkt het sterk op. Hier en daar op het internet kun je theorieën vinden van lezers die de oplossing denken te hebben gevonden, maar die spreken elkaar allemaal tegen. Het blijft gissen, ook omdat de roman is geschreven vanuit het gezichtspunt van een dappere maar naïeve twaalfjarige. Misschien moet je van tevoren juist wél weten dat Harriet het mysterie niet oplost, zodat je haar tijdens het lezen een handje kunt helpen.


Teju Cole – Open City

Psychiater Julius maakt lange wandelingen door Manhattan. Zo probeert hij de stad te doorgronden en de kenmerken van alle verschillende buurten op te slaan. Als een kind dat met blokken speelt, zoals hij zelf zegt. In zijn beschrijvingen lijkt New York soms op de hectische wereldstad die iedereen kent, maar vaker nog op een verzameling verstilde plekken, elk met een eigen verhaal. Het water rond de stad, met zijn moeilijk bereikbare en verlaten oevers, is de 'ongeliefde dochter' van het 'vreemdste aller eilanden'. In de verte, achter het vrijheidsbeeld, ligt Ellis Island als symbool van aankomst in het nieuwe land. Maar dan vooral voor Europeanen en niet, zoals Julius opmerkt, voor alle migranten die 'te vroeg' of 'te laat' kwamen. Het is duidelijk dat hij zichzelf - als in Nigeria opgegroeide zoon van een Nigeriaanse vader en een Duitse moeder - tot de laatste categorie rekent. De Afrikaanse naam in zijn paspoort zegt hem niets meer. Op zijn Nigeriaanse kostschool werd hij gediscrimineerd omdat hij 'te licht' was, in New York ontmoet hij juist Afro-Amerikanen op straat die blij constateren dat hij from the motherland is, waar hij absoluut niets van moet hebben.

Open City (2011) leest soms als een wandelgids voor Manhattan. Maar voor de hoofdpersoon hebben de urenlange slenteringen een therapeutisch karakter. Langzaam wordt duidelijk welke gebeurtenissen uit zijn verleden hem achtervolgen. Daaronder één specifieke, die hij blijkt te hebben verdrongen en pas aan het eind van het boek wordt onthuld. In het midden van de roman is er een bezoek aan Brussel, waar Julius een 'voelbare psychologische druk' opmerkt. Ook hier gaat het weer over identiteit. Ogenschijnlijk zonder partij te kiezen, laat Cole verschillende stemmen klinken. Een belezen Marokkaanse winkelverkoper beschrijft België als een 'lastige plek voor een Arabier' en zegt dat onderdrukte minderheden beter een voorbeeld kunnen nemen aan de onverzoenlijkheid van Malcolm X dan aan het vreedzame verzet van Martin Luther King. Een volgende gesprekspartner van Julius reageert daarop door te zeggen dat ze 'dat type' kent en dat ze het gevaarlijk vindt als jonge mannen denken dat ze de enigen zijn die het zwaar hebben. Woorden met een profetisch randje.


T.C. Boyle - The Tortilla Curtain

Al is hij ruim twintig jaar oud, toch is The Tortilla Curtain (1995) misschien wel de roman die het best bij deze presidentsverkiezingen past. Het is een verhaal over hoe de haves en de have nots elkaar wantrouwen, belazeren en misverstaan. Tegelijk is het een beeld van Los Angeles, een stad op de grens van extreme rijkdom en extreme armoede. Natuurjournalist Delaney en makelaar Kyra wonen in een verre suburb van de stad, gebouwd in een kurkdroge canyon. Ogenschijnlijk hebben ze alles perfect voor elkaar. De gezinshonden hebben artistieke namen, het zoontje krijgt high-fiber ontbijtvlokken. Het grootste drama dat hen lijkt te kunnen overkomen, is als een van de honden wordt gegrepen door een coyote. Maar de canyon heeft meer bedreigingen. Er kamperen illegale Mexicanen. Elke dag verzamelen ze zich op afgesproken plekken op zoek naar een karig dagloon. Een van hen is Candido en zijn piepjonge en hoogzwangere vrouw América.

De roman is afwisselend geschreven vanuit de Amerikaanse en Mexicaanse hoofdpersonen, wat zorgt voor mooie contrasten. Aan de ene kant de perfect family met hun first world problems en hun illusie van een gecontroleerd, risicovrij leven. Het is sociale satire die soms doet denken aan de film American Beauty. Aan de andere kant de straatarme Candido die vastbesloten is een huis te hebben voordat de najaarregens komen. Zijn optimisme lijkt onverwoestbaar, ook als hij wordt beroofd of als tussenpersonen hem belazeren. 

De bewoners van de villawijk in de canyon vergaderen over een hek. Kyra is voorstander, want als makelaar heeft ze gezien hoe steeds meer rijke huizenzoekers iets out of the way zoeken, waarmee ze bedoelen dat ze de gevaren van de stad willen ontvluchten. Langzaam geeft ook Delaney zich gewonnen. Een buurtbewoner overtuigt hem ervan dat de Mexicaan die hij op de snelweg heeft aangereden (de lezer weet dat het Candido is) zich voor zijn auto heeft geworpen om de verzekeringspremie te innen. Het hek is dan inmiddels al een betonnen muur geworden. Ook de bosbrand die uitbreekt móet de schuld zijn van de Mexicanen. Als natuurschrijver weet Delaney dat bosbranden horen bij de chaparral (het landschap dat wij maquis noemen). Maar op dat moment heeft hij al besloten dat de Mexicanen de schuld van alles hebben. De tweede confrontatie tussen Delaney en Candido zie je ruim van tevoren aankomen, maar weet toch te verrassen.


22 augustus 2016

Geografische intelligentie

Televisiekijkers van boven de veertig zullen zich de legendarische rubriek 'Kunt u aanwijzen waar we nu zijn?' uit De Vakantieman vast nog herinneren. Heerlijk leedvermaak over Nederlandse toeristen aan Spaanse kusten die de aanwijsstok na een wankele zoektocht over een blinde kaart van Europa boven Finland lieten rusten, voor de vorm wat cirkeltjes draaiend om aan te geven dat ze het niet precies wisten, maar dat het daar toch ergens moest zijn.

De slachtoffers lachten vrolijk mee, want geobetie - een gebrek aan geografische basisvaardigheden - is een geaccepteerd neefje van analfabetie, dyslexie en discalculie. Opvallend veel mensen zeggen zonder probleem, bijna met trots, dat ze heel slecht zijn in topografie en geografie. Kaarten? Hebben ze gewoon niks mee.

En dat hoeft ook niet meer. Grote kans dat iemand nu zijn smartphone erbij pakt als vakantieman Frits Bom of zijn opvolger vraagt waar hij is. Want die weet het precies. En hij kan je ook nog alles vertellen over de geschiedenis van de plek, waar je er het lekkerst kunt eten en hoe je er zo snel mogelijk vandaan komt. Parate geografische kennis is niet meer nodig, het zit allemaal in je broekzak. Zelfs in de lucht hoeven we niet meer te gokken waar we zijn, want er is ook al een app die je precies vertelt wat je beneden ziet aan steden en landschappen (link). Je kunt hem activeren bij vertrek, zodat je geen wifi in het vliegtuig nodig hebt.

Handig. Maar het roept de vraag op of die hulpmiddelen mensen meer of minder geobeet maken. Worden we er 'geografisch intelligenter' van, of veranderen we juist in slaapwandelaars die zonder technologie geen idee meer hebben waar we zijn? Het is dezelfde discussie als in het onderwijs, waar de ene stroming voluit pleit voor individueel digitaal leren in de klas en de andere voor ouderwets klassikaal kennis stampen.

 Vakantieman Frits Bom                                            Afbeelding: ANP Kippa

Ook bij geografische hulpjes speelt het gevaar van gemakzucht mee. Een locatie-app toont alleen wat je op dat moment wilt weten, in een versimpelde weergave en los van de context. Een ouderwetse kaart op papier is in eerste instantie misschien onhandiger, maar geeft meer overzicht. Daarbij is iets opzoeken niet hetzelfde als iets weten. Het is een reflex geworden om voor elk probleem de smartphone tevoorschijn te halen, want die weet het toch altijd beter dan wijzelf. Maar onthouden we zo nog dingen, leren we nog om verbanden te leggen en patronen te herkennen?

Sommigen voorspellen dat een zomerhype als Pokémon Go de voorbode is van een nieuw 3D-tijdperk, waarin geo-technologie zal helpen om het ruimtelijk inzicht van jongeren te vergroten (link). Ik ben daar nog niet zo zeker van. Weten al die kids eigenlijk waar ze zijn als ze turend naar hun schermpje door het park lopen op zoek naar Pikachu? Vergroten ze hun kennis van de echte wereld als daar een dikke virtuele spellaag overheen is gelegd? Maar het blijft natuurlijk altijd een goed idee om op een zo speels mogelijke manier te leren. Als er nou eens locatie- en navigatiesoftware komt die het leuke met het leerzame combineert. Een app, laten we hem Frits noemen, die reageert met: ik vertel je over tien seconden waar we zijn, maar waar dénk je dat we zijn? En dan natuurlijk een beloning als je het goed hebt, anders is er geen lol aan.

5 augustus 2016

Geodicht



’t Is weer de tijd van sponsorpret
Voor marktaandeel en jaaromzet

Zilver of brons naar het vaderland?
Goud met schuimkraag in de hand!

Vanuit ons oranje dranklokaal
Verdringen we het sambakabaal

Tot in de verste favela

Klinkt de boodschap: HHH

Met de beurskoers op het scorebord
Want sport is mooi, nóg mooier is export



25 juli 2016

Zeg gewoon: ik ben een toerist

Regelmatig fiets ik over de Prinsengracht langs het Anne Frank Huis, op weg naar het Centraal Station of een afspraak in het centrum. Altijd is het weer bijzonder om met aangepaste snelheid tussen de wachtende en ronddrentelende toeristen te rijden. Mensen van over de hele wereld die met elkaar gemeen hebben dat ze een bezoek willen brengen aan deze ene plek. De meesten zijn waarschijnlijk een keer in hun leven Amsterdam en weten precies waarvoor ze komen: Anne Frank Huis, Rijksmuseum, Van Gogh Museum en een rondvaart door de grachten. Geef ze ongelijk. Als je drie of vier vakantieweken per jaar hebt, zoals veel werkenden buiten Nederland, en daarvan een paar dagen in Amsterdam besteedt, zijn dat de dingen die je doet.

Klagen over massatoerisme is momenteel erg in de mode, vooral in Amsterdam. Daar zijn best redenen voor. De drukte in de stad nadert op sommige plaatsen en tijdstippen het punt van onbeheersbaarheid. Er zijn lelijke vormen van commercialisering, zoals smakeloze ijssalons met Nutellapotten in de etalage en nep-historische kaaswinkels. Maar wat ook altijd meespeelt in de kritiek op toerisme is het neerkijken op de toerist. Ik deed daar vroeger ook aan mee. Als ik op reis ging, wilde ik liever geen toerist zijn, uit de buurt blijven van de tourist shitholes en contact maken met de lokale bevolking. Om uiteindelijk natuurlijk toch gewoon het kabeltrammetje naar het Jezusbeeld op Corcovado te nemen. Want ja, je bent in Rio of je bent er niet.

De eerste keer dat ik onbeschroomd aan mezelf toegaf dat massatoerisme soms best leuk is, moet zijn geweest bij slot Neuschwanstein, de uitzinnige creatie van de Beierse Koning Ludwig II die model stond voor de kastelen in Disneysprookjes en vooral onder niet-Europeanen als symbool geldt van Europese romantiek. De hele wereld verzamelt zich aan de voet van de heuvel, netjes in de rij voor een kaartje en een verplichte rondleiding met keuze uit tien verschillende talen. Tijdens de wandeling naar het slot loop je samen omhoog met Arabieren, Thai, Amerikanen en Japanse meisjes in Dirndl-jurkjes. Het mensen-kijken vormt minstens zo'n grote attractie als het kasteel zelf.

Neuschwanstein: toeristen wachten tot hun rondleiding begint

Nog steeds probeer ik in een vreemde stad ook de rauwere, minder bekende plekken op te zoeken of de tram naar een buitenwijk te nemen om te kijken hoe het er daar uitziet. Maar de pretentie dat ik geen toerist ben, heb ik niet meer. Want of je nu een selfie maakt voor de Eiffeltoren, of heel cultureel verantwoord de Zaspa-muurschilderingen in Gdansk bezoekt: je bent een toerist en het is onzin om dat te ontkennen. Die interessante rauwe randjes worden binnen de kortste keren opgepikt door reisgidsen en websites, waarna ze net zo mainstream worden als andere attracties. Zoals de kerts in Boedapest; semi-legale kroegen in leegstaande panden die inmiddels massaal zijn ontdekt door buitenlandse bezoekers. Of een rondleiding door de favelas in Rio: ook opgenomen in het standaardpakket, samen met het Jezusbeeld, het Suikerbrood en een samba-avond.

Toch blijft de honger naar 'authentieke' reiservaringen onstilbaar. Verhuurdersplatforms als Airbnb spelen er op in door klanten een ervaring van living like a local te beloven. Alsof je zelf een echte Barcelonees wordt door voor honderd euro per nacht vier dagen te slapen in het huis van een Barcelonees, een host die je na afloop een rating geeft op een website. Op welke manier is dat contact authentieker of 'echter' dan een goed advies van een hotelreceptionist of een leuk gesprek met andere hotelgasten? Een ander verkoopargument van Airbnb is dat de verhuurde woningen buiten het traditionele toeristengebied liggen waardoor een groter deel van de stad zou meeprofiteren van het toerisme. De ironie is dat toeristisch verhuur in steden als San Francisco, Lissabon en Parijs zo explosief toeneemt dat de populaire buurten steeds toeristischer en dus steeds minder authentiek worden, een trend die onder meer in dit artikel in de Harvard Business Review wordt beschreven. Omgekeerd bewijst een stad als Amsterdam dat normale hotelaccomodatie prima over de stad kan worden verspreid. Dankzij het ombouwen van lege kantoren tot hotels is er nauwelijks nog een Amsterdamse buurt te vinden die niet meedeelt in de groei van het verblijfstoerisme. 

Er is helemaal niks mis met massatoerisme. In echte hotels. Met mensen die hebben besloten dat ze in hun schaarse vrije tijd beroemde plaatsen, gebouwen en kunstwerken willen zien en zich daarbij niets aantrekken van het feit dat massa's andere mensen hetzelfde willen. Toeristen die geen enkele pretentie hebben dat ze iets anders zijn dan een toerist.



16 juli 2016

Geodicht




Vanuit ons kantoor aan de West Coast
Maken we van jou een host

Laat een vreemde in je bedje dromen
Dan komen wij de winst afromen

Aan regels en wetten hebben we schijt
Maar we 'denken graag mee' over nieuw beleid

Want wij zijn geen doorsnee company
Wij zijn verspreiders van de deel-economie

Met een stukje slimme software
En een hele hoop gebakken Air




12 juli 2016

Frames en frames, ook in het ruimtelijk debat

Afgelopen zaterdag bracht de Volkskrant een artikel over jonge gezinnen uit Utrecht die hun stadswoning hebben verruild voor een huis-met-tuin in groene buurgemeenten als De Bilt en Soest (link). Het stuk begint met een blije makelaar die constateert dat de markt weer aantrekt. Vervolgens zijn er enkele portretten van verhuisde bewoners. Er is een uitspraak die de trend bevestigt ('ze waren de stad toch al zat') en er zijn observaties die het verschil tussen de 'yuppen' uit Utrecht en hun nieuwe woonomgeving lekker vet aanzetten.

Yuppen; die had ik al een tijdje niet meer gehoord. Waren dat niet juist ongebonden types in de stad die er een nogal materialistische levensstijl op nahouden? Blijkbaar ben je nu ook al een yup als je genoeg hebt gespaard om een groter huis te kopen. De behoefte om mensen in te delen in groepen en die vervolgens tegenover elkaar te zetten is onverwoestbaar, maar de yuppen zouden misschien beter in het museum van de jaren '80 kunnen blijven.

Het artikel beschrijft een trend die al langer gaande is. Het Parool meldde eerder dit jaar ook al dat een groeiend aantal gezinnen Amsterdam verlaat voor omliggende gemeenten als Amstelveen en Haarlem. Ook in dat artikel werden makelaars opgevoerd als bron. Met als verschil dat één van hen opmerkte dat de meeste verhuizers toch liever in de stad waren gebleven als het had gekund.

En daar zit de crux. Wie net een nieuwe woning heeft gekocht, zal het liefst een positief verhaal vertellen. Maar verhuizen is altijd een sub-optimale keuze. Natuurlijk willen mensen groter wonen als het eerste kind de eerste stapjes heeft gezet en de tweede op komst is. Maar is een vertrek uit de stad nu vooral ingegeven door een wens om groener en rustiger te wonen, of toch vooral door een gebrek aan betaalbare huizen in de stad? Als mensen de mogelijkheid hadden, zouden ze dan kiezen voor een ruimere gezinswoning in de stad? En hoe belangrijk is die eigen tuin, hét symbool van suburbaan wonen, nu eigenlijk echt? Zou die bijvoorbeeld ook kunnen worden vervangen door een dakterras, een ruim balkon, of een groene speelplek pal voor de deur?

Op dat soort vragen krijg je geen antwoord met een paar makelaarsquotes en anekdotisch bewijs van net verhuisde bewoners. Maar het zijn wel belangrijke vragen. Juist op dit moment, nu er een pittig debat aan de gang is over waar we moeten bouwen: in de stad of buiten de stad. Grof samengevat zijn er twee stromingen. De eerste stroming zegt dat er veel behoefte is aan stedelijk wonen en dat er nog veel ruimte is om te bouwen in bestaand stedelijk gebied. De tweede stroming zegt dat huizenzoekers een sterke voorkeur blijven houden voor wonen in het groen en dat we er niet aan ontkomen om ook (flink) buiten de stad te bouwen.

Een voorbeeld van dat debat was te zien na de oproep van Coen Teulings, UvA-hoogleraar en oud-directeur van het Centraal Planbureau, om meer te bouwen op plekken waar 'veel vraag' is. Als voorbeeld noemde hij Waterland bij Amsterdam (link). Laat dat prachtige, grotendeels ongerepte landschap nou net het favoriete fietsgebied van veel regiobewoners zijn (en trouwens ook van toeristen; zie de onwennige huurfietsers genieten op de dijk langs het Markermeer). Teulings werd met hoon overladen, onder meer op Twitter met veelzeggende hashtags als #weilandlobby en #bouwlobby.

Veel vraag naar wonen in Waterland. Bouwen dus maar?

Een ander voorbeeld is de discussie rond de woonvisie van de G32, de groep van middelgrote gemeenten. Daarin wordt gesteld dat we niet ontkomen aan bijbouwen in de open ruimte. Wie daar anders over denkt, krijgt er van langs. De critici van de woonvisie heten in het kamp van de bouwers 'verdichtingsideologen'. Ze zijn 'losgezongen van de alledaagse werkelijkheid', schrijft bijvoorbeeld ontwikkelaar Daan van der Vorm in een blog op gebiedsontwikkeling.nu. Van der Vorm noemt het 'beledigend' en 'verbijsterend' dat er mensen zijn die dit 'stuk van meer dan dertig wethouders' als een adoptie van de visie van de bouwwereld bestempelen.

De woonvisie waarover het gaat, is geschreven door Friso de Zeeuw, op dat moment directeur bij ontwikkelaar BPD. En die ruim dertig wethouders hebben hun handtekening gezet op basis van ronde-tafelgesprekken van zes wethouders met negen ontwikkelaars. Is het dan echt 'verbijsterend' dat sommigen zich afvragen of gemeenten zich hier niet te veel hebben laten leiden door de markt, door bouwers en ontwikkelaars die een keihard zakelijk belang hebben bij meer uitbreidingswijken in het groen? (Ik deed dat zelf in deze blog).
  
Het is een verschijnsel van deze tijd: geen debat voeren om verder te komen of om standpunten uit te wisselen, maar om de tegenstander te framen en onschadelijk te maken met onflatteuze etiketten, ridiculisering en verdraaiing van standpunten. Wat dat betreft onderscheidt de wereld van de ruimtelijke ordening zich niet van de rest van de samenleving, waarin debatten over het asielbeleid of Zwarte Piet langs dezelfde lijnen verlopen.

Het moet beter kunnen. We hebben decennia van uitbreidingsplanologie achter de rug. Wie goed om zich heen kijkt, ziet geen land waarin groen wonen geen kans heeft gekregen. Die ziet ruim opgezette woonwijken en bedrijventerreinen. Je zou verwachten dat partijen die nu nog claims leggen op de overgebleven open ruimtes, met hele goede argumenten komen. Geen frames over 'knellende rode contouren' maar concrete voorbeelden van woningnood die écht alleen maar opgelost kan worden door bouwen in het groen. Op welke plaatsen kan de open ruimte worden opgeofferd aan nieuwbouw, zonder dat het ten koste gaat van landschap, natuur en recreatie?

En onderzoekers, verlos ons van de anekdotes. Breng ons verder dan de laatste woningmarkttrends, quotes van makelaars en pas verhuisden. Welke sociaal-geograaf gaat eens stevig onderzoek doen naar de woonwensen en de onderliggende motieven van blijvers en vertrekkers in de stad?